Skip to content Skip to footer

Vink

Fringilla coelebs

Habitat

De Vink komt in geheel Europa voor, met uitzondering van IJsland en het noordelijke gedeelte van Scandinavië. Deze vogelsoort leeft in de laaglanden, lagergelegen loofbossen, gemengde bossen en naaldbossen. Bovendien bewoont de Vink parken, tuinen, boomgaarden, heggen, landbouwgebieden, randen van toendra’s, heide, bosjes, open plekken en bosranden. Buiten het broedseizoen komt de Vink ook nog in andere vegetatietypes voor, zoals braaklanden, stoppelvelden, palmvelden en woestijnoases.

Uiterlijk

Dieet

De Vink is een omnivoor. Dit betekent dat deze vogelsoort zich zowel met dierlijk als plantaardig materiaal voedt.

Broeden

Het broedseizoen vindt van midden mei tot midden juli plaats. De Vink hanteert een monogaam paringssysteem, waarbij de paarband in de opvolgende jaren blijft bestaan. Het mannetje heeft een eigen territorium, die hij gebruikt voor de balts en de nestgelegenheid. Het baltsgedrag bestaat uit zang om een vrouwtje aan te trekken.

Vervolgens zal het mannetje zijn verenkleed tonen en een lage ‘mottenvlucht’ maken. Hij zal bij de landing zijwaarts naast het vrouwtje hurken. Het mannetje zal vervolgens de flanken en buik tonen aan het vrouwtje. Deze baltsgedragingen vinden herhaaldelijk plaats. Wanneer het vrouwtje positief reageert, zal zij in een snelle zigzagbeweging achter het mannetje aanvliegen.

Het vrouwtje bouwt het nest dat uit een diepe beker van mos, korstmos, plantenvezel, fijne wortels, schorsstroken, dierlijk haar en veren bestaat. Het nest bevindt zich op een tak, tegen de stam of in de vork van een boom of struik.

Het broedsel bestaat uit 1 legsel, maar soms komen er 2 legsels voor. Het vrouwtje legt 3 tot 5 eieren en broedt deze in 10 tot 16 dagen uit. Na het uitkomen verzorgt het vrouwtje voor 11 tot 18 dagen de jongen in het nest. Na het uitvliegen zullen de jongen nog tot 21 dagen door beide ouders gevoed worden.