Skip to content Skip to footer

Fluiter

Phylloscopus sibilatrix

Habitat

De Fluiter leeft in bijna geheel Europa, met uitzondering van het Iberisch Schiereiland, Ierland en de Balkan. Deze vogelsoort bewoont gemengde bossen en vochtige, schaduwrijke laaglandloofbossen. Het bladerdak van het bos moet dichtbegroeid zijn. De ondergroei daarentegen moet schaars zijn.

In Nederland komt de Fluiter voor op hogere zandgronden met bosrijke gebieden, bij de duinstreek, in kleibossen, in open beukenbossen en in gevarieerde bossen met goed ontwikkelde struik- en boomlagen.

Uiterlijk

Dieet

De Fluiter voedt zich met ongewervelde dieren en vult het dieet verder met fruit aan.

Broeden

De Fluiter is normaliter een monogame vogelsoort, maar deze vogelsoort leeft ook vaak polygaam. Wanneer het eerste vrouwtje aan het broeden is, heeft het mannetje enkele dagen “vrij” en houdt hij zichzelf bezig met het zoeken naar een andere partner.

Het broedseizoen vindt van mei tot en met juli plaats. Aan het begin van het broedseizoen voert het mannetje zangvluchten uit om de aandacht van een vrouwtje te trekken. Wanneer een vrouwtje interesse heeft, zal zij antwoorden met een zachte contactroep. Het mannetje zal vervolgens langzaam naderen en het vrouwtje achtervolgen. Uiteindelijk gaat de achtervolging over in de balts, waarbij het paar dicht tegen elkaar aan gaat zitten.

Het vrouwtje kiest de nestplaats uit en bouwt het nest in 3 tot 4 dagen. Het nest wordt op de grond geplaatst en bestaat uit een bal van droge grassen, bladeren, plantenstengels, plantenvezels, schors en dierlijk haar.

Het vrouwtje legt 5 tot 7 eieren en broedt deze in 12 tot 14 dagen uit. Beide ouders voeden de kuikens met rupsen en larven. Na 11 tot 13 dagen verlaten de jongen het nest. Na het uitvliegen krijgen de jongen nog 3 tot 4 dagen eten van de ouders. Hierna zullen de gezinsleden nog 4 weken bij elkaar blijven, voordat ieder lid zijn eigen weg aflegt.